CP3 by Basketball Totaal

Aart Dekker: Meer 1-tegen-1 trainen

Je kunt als individuele speler pas ECHT (internationaal) meespelen als je je eigen tegenstander 1-tegen-1 kunt verslaan en als je die 1-tegen-1 kunt stoppen.

Deze zin schreef ik in het overzicht van het EK mannen U20 in de B-divisie deze zomer. Specifieker komt hij uit evaluaties die werden opgesteld in 2009 en 2010, toen onze nationale U20-ploeg kampioen werd van de Europese B-divisie (2009) en er het jaar erna werd gedegradeerd naar diezelfde B-Divisie, ondanks overwinningen tegen ondermeer Turkije en Tsjechië op het toernooi van de A-divisie. Het was een hoofdconclusie, die de staf van coach Burhan Alibegovic trok na de twee meest succesvolle MU20-zomers ooit.

Impliciet zegt deze stelling dat de meeste Nederlandse spelers dus niet in staat zijn om hun man 1-tegen-1 te verslaan en/of te stoppen. Voor wie Nederland volgt in het internationale basketball is dat niets nieuws. Eigenlijk kun je veilig stellen dat ‘wij’ al decennia lang niet uitblinken als het om dit aspect van het spel gaat. Nederland heeft vaak teams met relatief veel lange forwards, die graag jumpers schieten, af en toe een (of meer) goede centers en guards. Verder is het min of meer behelpen, uitzonderingen daargelaten. Die zwakte wordt dan meestal met meer of minder succes opgevangen door vooral goed teamspel.

Willen we ooit echt mee gaan doen op internationaal (top)niveau, dan zullen onze spelers dus (veel) beter moeten worden in de 1-tegen-1. Dat is gemakkelijk gezegd, maar daar komt natuurlijk veel bij kijken. Maar de ‘bottomline’ is toch: vanaf de jongste jeugd moet er op de training veel meer gewerkt worden aan het verslaan en stoppen van de individuele tegenstander.

Natuurlijk, basketball is een teamsport en als je wedstrijden wilt spelen, dan moet er op meer getraind worden dan alleen maar 1-tegen-1. Dat begrijp ik best. Maar dat wil niet zeggen dat jonge, relatief beginnende, basketballers/-sters een aanzienlijk deel van hun trainingen bezig zouden moeten zijn met het lopen van aanvalsspelletjes, die vooral dienen om gebreken, zwakheden en fouten in hun 1-tegen-1-spel te maskeren. Dat heeft dan bovendien ook nog eens tot gevolg dat de verdediging minder beproefd wordt op de trainingen, waardoor die er ook onder lijdt. Dat kan dan weer tot gevolg hebben dat de coach ook meer tijd gaat besteden aan team-defense dan wenselijk is in dit stadium.

Aan de andere kant: 1-tegen-1 is wel de basis van de sport. Is voor spelers leuk om te doen en kan  het competitief vermogen aanwakkeren. En het is echt niet moeilijk om met diverse 1-tegen-1 oefenvormen, veel schieten en elke training flink rennen, twee, drie, of zelfs vier trainingen per week te vullen. Ik kan denk ik veilig stellen, dat het potentieel aan aanvalstechnieken en oefenvormen zó groot is, dat het overgrote deel van de (Nederlandse jonge) spelers er nooit aan toe komt alles te trainen. Veel buitenlanders overigens ook niet… En dan heb ik het nog niet eens over de andere zaken, die voor het ontwikkelen van optimale 1-tegen-1 aanvalskracht training behoeven, zoals bijvoorbeeld fysieke en motorische aspecten. En natuurlijk de 1-tegen-1 defense.

Daarom is mijn stelling: Nederlandse coaches, vooral bij de jeugd, maat niet uitsluitend, moeten veel meer aandacht besteden aan het trainen van de 1-tegen-1.

Ter inspiratie nog een link naar een column van Wilfried de Jong op NRC.nl. Die gaat over voetbal, maar is zeer toepasselijk bij deze column.

Meer basketball van Aart Dekker op zijn weblog

Laat een reactie achter

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.